Vorige week was in weekblad Binding het eerste deel van de geschiedenis van de oude melkfabriek in Wervershoof, De Eensgezindheid te lezen. Volgende week leest u het derde en laatste deel. Geschreven door Gerard Bot.
Enkele herinneringen van Riet: “Mijn opa, Jan van Dijk, overleed na een ziektebed in 1928. Waarschijnlijk nam mijn vader toen de leiding van de fabriek over. Dat ging zonder notariële akte, wat tijdens de oorlog nog voor veel problemen zorgde in verband met het bewijs van herkomst.
Hij bleef deze functie uitoefenen tot de sluiting van de fabriek. Ik woonde al die jaren in de woning van de fabriek. Beneden hadden wij één slaapkamer en twee bedstedes. Boven waren er nog twee slaapkamers, waar de dochters sliepen. Deze kamer was alleen te bereiken via de keuken en een trap naar boven. Het personeel van de fabriek kwam ook vaak binnen en het leek wel of er altijd net iemand in de keuken was wanneer wij naar de meidenkamer gingen of beneden kwamen. “De engelen kwamen naar beneden”, zei mijn latere echtgenoot altijd. We hadden geen badkamer of wastafel dus moesten we ons in de keuken wassen of met een bakje water in mijn ouders slaapkamer, daarom gingen we in onze nachtkleding vanuit de keuken via de trap in de fabriek langs de kaaszolder naar onze slaapkamer. Vandaar dat het personeel de engelen naar boven en beneden zagen gaan. In het dorp dacht men dat we royaal woonden maar het was eigenlijk heel sober. Zelf vonden we het heel normaal.
Onze wc was achter de fabriek, waar ook het personeel gebruik van maakte. Wij moesten buitenom naar de wc. De afvoer kwam gewoon uit op de sloot, waar de slager zijn slachtafval ook dumpte. Zo ging het ook met het afval van de kaasmakerij. Maar goed, zo ging dat toen. Ondenkbaar nu. Er liepen ook ratten in en om de fabriek. De randen van de kaas werden afgesneden en vielen op de grond. Dat bleef deels liggen en de ratten hadden het er goed van. Ratten die gewoon via het riool in de fabriek kwamen. Mijn broer beschoot ze met een buks. In de fabriek was het altijd erg druk en een paar keer per dag werd er een wagen met melkbussen gebracht. De melk werd meteen afgeroomd voor boter en gepasteuriseerd om schadelijke bacteriën te doden. Het werd zo meteen geschikt gemaakt voor de kaas. Ik herinner het me allemaal als een mooie tijd waar alles en iedereen met elkaar samenwerkte. Koffiedrinken en zo was ook gewoon bij ons in huis. Erg gezellig allermaal. Ik herinner me dat de melkbussen werden schoongespoten en gespoeld met kokend water. Mijn moeder deed de was met dat hete water in de fabriek. Mensen uit het dorp kwamen hier heet water halen. Mensen kwamen ook voorom, maar dan om kaas met een gebrekkie te kopen, dat voordelig was. Ik kan me nog een strenge winter herinneren. De wegen waren besneeuwd en bevroren, dus erg glad. Vanaf de preekstoel gebood de pastoor de kerkbezoekers om de Lagedik sneeuwvrij te maken voor de melkauto’s. Mijn opa en oma hebben ook twee pleegkinderen gehad, Cor en Aaltje Druiven. Hun ouders waren tijdens de Spaanse Griep in 1916 overleden. Hun kinderen werden in diverse gezinnen opgenomen. Met Aaltje hebben wij altijd contact gehouden en zij was een lieve tante voor ons.”
Bevers
Piet van Dijk fokte ook nog een tijd bevers, Deze hield hij in betonnen hokken bij de fabriek. Volgens internetinformatie leverden de vellen destijds dertig gulden op op de Engelse pelsmarkt. Riet: “Achteraf was dit een grote misser.
Volgende week 3e en laatste deel









