Wie de kermissen van vroeger in ’t Hart van Onderdijk heeft meegemaakt, hoeft maar even de ogen dicht te doen om weer terug te zijn in het bomvolle café van weleer. Voor Sietske Duijn-Leo waren het veertien onvergetelijke kermissen. Als gastvrouw, organisator en kastelein, maar bovenal als kermisliefhebber. In haar boek ’t Hart van Onderdijk, belevenissen in een familiehotel komen de herinneringen volop tot leven.
Sietske presenteerde het boek afgelopen juni op de plek waar het allemaal gebeurde: de huidige Vooroever. Van 1990 tot 2004 runde zij daar samen met haar man Cees en zoon Jeroen het hotel-café-restaurant. Met hun gezin woonden ze midden in de zaak. Het waren jaren waarin gasten, kinderen, personeel, familie en vrienden voortdurend door elkaar heen liepen. En begin september ging alles aan de kant voor kermis.
Ervaringsdeskundigen
Sietske en Cees waren geen onervaren kermisgangers toen zij ’t Hart overnamen. Ze maakten al jaren deel uit van een vaste kermisvriendengroep en gingen vier dagen lang volledig op in het feest. Kermis was heilig. Sietske schrijft erover: ‘Je spaarde ervoor en als het zover was, dan ging je ervoor.’
Thuis beginnen met koffie, een biertje en een broodje, daarna naar het café, ’s avonds met de hele groep eten en weer terug. Op maandag werd er verkleed. Het hele dorp deed mee.
Hun eerste Keuter Kermis als caféhouders volgde al twee maanden na de overname. De samenwerking tussen de verschillende cafés stond nog in de kinderschoenen, maar aan enthousiasme ontbrak het niet. Uit de pogingen om gezamenlijk meer reuring te creëren ontstond uiteindelijk het Keuter Kermiscomité, met vertegenwoordigers uit verschillende vriendengroepen. Er werd vergaderd in ’t Hart en ideeën waren er genoeg. ‘Het kon ons niet gek genoeg’, schrijft Sietske.
Honderd man in pyjama
Een van die ideeën was het pyjamaontbijt op maandag. Om tien uur gingen de deuren open voor koffie en broodjes. Voorwaarde: iedereen in nachttenue. Meer dan honderd mensen kwamen erop af. Bier was er nog niet. Pas om klokslag twaalf uur werd gezamenlijk afgeteld van tien naar nul, waarna barman Jos in kamerjas de tap opendraaide. De liveband zette Bambolero in en het feest was los.
Daar bleef het niet bij. ’t Hart pakte uit met goede muziek, gekke acts, een water-luchtkasteel dat door de brandweer werd gevuld, een zeep-glijbaan, eieren gooien, palingroken en een playbackshow. Er werd niet bezuinigd op ideeën.
Zelf hadden Sietske en Cees tijdens de kermis geen vaste plek achter de bar. Zij waren gastvrouw en gastheer, hielden overal een oogje op en vielen in als medewerkers even moesten eten. Voor het echte tapwerk waren er speciale kermistappers. ‘Die kunnen een vat in één keer leeg tappen. Een vak apart.’
De vijfuurborrel
Vier dagen feest betekende vooral vier dagen keihard werken. Overdag dronken Sietske en Cees daarom geen alcohol. Op één uitzondering na. Waar ze ook waren, om vijf uur zochten ze elkaar op voor hun vaste jonge jenever. Meestal stond die al voor hen klaar. De eerstvolgende alcoholische versnapering ging pas na middernacht naar binnen. Anders was het niet vol te houden. Laat naar bed betekende niet laat beginnen. Een nazit met het team duurde ooit tot half acht ’s morgens. Om negen uur stond iedereen gewoon weer paraat.
Kermislijflied
Tijdens kermis bestond er voor Sietske geen andere wereld. De telefoon ging letterlijk de kast in. Potentiële hotelgasten en leveranciers moesten maar even wachten. De voorpret begon al weken eerder. Het café werd leeggehaald, gordijnen verdwenen, stoelen gingen naar buiten, er kwam een podium en houten platen beschermden de vloerbedekking.
Ook werd ieder jaar een kermislijflied gekozen. De tekst stond op het schoolbord in het café zodat stamgasten alvast konden oefenen. Busje komt zo, Ben je geil of wil je een koekie en Nee, ik heb geen bananen: weken later kende iedereen ze.
Voor personeel en liefhebbers waren er speciale T-shirts met teksten als Drink met je maten en ’t Hutje van ome Ceessie. En natuurlijk waren er de verkleedkisten. Een deel van de inhoud kwam van toneelvereniging ’t Hek, andere spullen van Sietskes tante Fia. Wie op maandag nog zonder outfit zat, kon altijd wel iets bij elkaar scharrelen.
Ze speelden de tent leeg
Niet alles wat bedacht werd, bleek een gouden greep. Zo boekten ze ooit het zangduo Mark en Margarita. Volgens het boekingsbureau waren het veelbelovende artiesten. Bij binnenkomst leek alles te kloppen: witblond haar, een witte Marilyn Monroe-achtige jurk en zelfs een kleine roze panter in het decolleté.
Toen begonnen ze te spelen…
Naarmate de dag vorderde, werd het optreden er niet beter op. Rond tien uur ’s avonds liep het café leeg. Stoppen dan maar. Mark en Margarita dachten daar anders over. Ze waren tot twee uur geboekt en vastbesloten door te zingen. Uiteindelijk werd om één uur letterlijk de stekker eruit getrokken.
‘Ja, dat werd die nacht een vroegertje, met kermis.’
‘Ientje toe’
Op het kermisshirt van 2003 stond toepasselijk Ientje toe. De bezoekers wisten toen nog niet dat het de laatste kermis van Cees en Sietske als uitbaters zou zijn.
Nu zijn al die belevenissen vastgelegd. Sietske begon in de jaren negentig al gebeurtenissen op te schrijven, omdat ze niet wilde dat ze verloren gingen. ‘Schrijven is voor mij een tweede natuur.’
Het resultaat is veel meer dan een verzameling sterke horecaverhalen. Het is ook een tijdsbeeld van een familiehotel, een dorp en een kermis waarin iedereen elkaar tegenkwam. ’t Hart heet inmiddels de Vooroever, maar leeft voort in vele harten.








