Vandaag zou ze jarig zijn. Daarom brengen we mam en Huib twee gebakjes. Suikervij, want hij heeft diabetes. Mijn moeder oogt wat moe, haar vriend bruin. Lang leve de tuin, ze genieten al de hele week van de zon. Hij languit, zij met de handen in de aarde. De denker en de doener. Ik ben blij ze te zien, het is al even geleden. We kletsen. Zij in de deuropening, wij op straat.

“We gaan even naar Jeanine”, zeg ik. “Zijn we ook geweest”, zegt mam.
“En als je er toch bent, ga dan even langs de opa’s en oma’s en ome Simon.”
Tuurlijk, als we toch op visite zijn.

Onze dochter Eva is er nog nooit geweest, realiseer ik me. Heb ik bewust zolang gewacht?
Even later staan we aan het graf van mijn zus. En dat van mijn vader. Ze delen een voordeur. Eva pakt me vast en huilt zachtjes. Nooit eerder zag zij deze witte steen met daarop de namen van haar tante en haar opa. In die volgorde. Een volgorde die ik nooit kloppend krijg. Net zoals de jaartallen en de ruimte daartussen. Het klopt niet.

Eva zit vol vragen. Hou oud was je mam? Wat gebeurde er? Hoe gebeurde het? Wat deed je toen? Hoe voelde je je? Haar beeldende fantasie en inlevingsvermogen vullen veel in. Ze heeft zelf een zus van 23. Dezelfde leeftijd als de mijne had toen ze stierf.
Ik vertel veel, maar moet ook antwoorden schuldig blijven. Omdat ik het me niet herinner. Die eerste tijd beleefde ik alsof ik achter glas leefde. Ik zag en hoorde alles, maar het kwam niet binnen. Het was te groot.

Kennelijk doe je dat als mens. Een doorzichtige muur opwerpen om de pijn op afstand te houden. Schuilen achter glas. Om het niet in alle hevigheid te voelen. Om het af te vlakken en door de tijd te leiden. Voordat het bezit van je neemt, op je kauwt en knaagt en je weer uitspuugt als ’t je zat is. Als je aan flarden bent. Flatten the curve.

We wandelen over de begraafplaats. Bezoeken de opa’s en oma’s, ome Simon en vele anderen. Op 1,5 meter afstand; elke steen heeft minstens die lengte. Alsof de tekst aan de overkant de belichaming is van de personen die er rusten. Elke steen vertelt een verhaal. We zeggen: Hallo! Hoe gaat het? Dag!

Ik vind het er prettig en spreek dat ook uit. De rust die er heerst, de vrijheid die er is. Om te spreken, om te zwijgen, om te huilen, om te lachen. En om aan te raken. Wat buiten is en wat binnen in mij leeft. Hier is ruimte en tijd om pijn te voelen. De pijn die ik gelukkig al jaren geleden toestemming heb gegeven om door ruiten en roeien te gaan. Zonder dat het mij zou breken.

Ik denk aan al die mensen die nu niet aan mogen raken, maar vol in het hart worden geraakt. Ik zie de beelden, lees de verhalen, tel de aantallen. En blijf thuis. Waar ik opnieuw achter glas zit, ons eigen raam naar de wereld. Leven op afstand. Daarbuiten is zo veel verdriet. De dood op afstand. Voor hen die geen afscheid kunnen nemen. Niet bij leven en niet bij dood. Voor hen die geen mogelijkheid hebben om samen rond het graf te staan. Zelfs niet nu de dood dichterbij is dan ooit. Voor ieder van hen is het leed het grootst. Achter elk raam schuilt een verhaal.

Gearmd lopen we de begraafplaats af. We groeten een enkele voorbijganger en gaan naar huis. Terug naar het glas. Dat ik koester omdat ik het mag delen met mijn geliefde en mijn dochter. Half vol.
Flatten the curve. Totdat er tijd en ruimte is voor de pijn, het verdriet en de herinnering.

Ik herinner mij haar. En hem. En hen. Vandaag zijn de doden naderbij dan ooit. De dood schept geen afstand. Dat doet het leven zelf.

Mieke de Beer-Koomen, april 2020